VO laat zich inspireren door projectonderwijs in het hbo

Gisteren was ik op CSG Prins Maurits in Middelharnis om daar een presentatie te geven over projectonderwijs in het hbo. Het docententeam van 3Havo gaat van januari tot mei leerlingen in teams of individueel een project laten uitwerken. Dit in het kader van Big Picture Learning.

De vragen die leerlingen in projecten gaan beantwoorden komen van ondernemers uit de regio:

  • Hoe kan transportbedrijf X inspelen op de crisis?
  • Moet het Volkerak zouter of juist zoeter worden?
  • Hoe kan een makelaar de waarde van een huis op Goeree-Overflakkee beïnvloeden?
  • Hoe kan modehuis Y social media inzetten om meer omzet te maken in de webshop?
  • Hoe kan fotostudio Z de klantenbinding verhogen door social media in te zetten?

Voorbereiden op hbo

Het docententeam wordt voor het voortgezet onderwijs-deel begeleid door de KPCGroep, maar wilde ook graag horen hoe projectonderwijs in het hbo georganiseerd wordt, of zou moeten worden. De Havo-leerlingen worden immers voorbereid op het hbo. De rol van opdrachtgevers van buiten moest bijzondere aandacht krijgen. Opdrachtgever André Knulst vroeg mij vooral mijn eigen visie te geven. Dat heb ik met ontzettend veel plezier gedaan. Mede dankzij de geweldige video van Team Antarctica, aangedragen door Steven Nijhuis van de Faculteit Natuur en Techniek van de HU, zijn reflecties op de motieven van opdrachtgevers om met een hbo-opleiding samen te werken, de praktijkverhalen van Paul Salverda (Farmakunde HU), Marcel Seijner (TBK HRO) en Marnix Rietberg (Diermanagement Van Hall) is het een inspirerende presentatie geworden.

Je kunt de presentatie bekijken met mijn aantekeningen ernaast.

Ik geloof dat de docenten van Prins Maurits wel wat willen lenen uit de praktijk in het hbo, zoals ik die graag zou zien. Daarbij vind ik de samenwerking met echte opdrachtgevers het allerbelangrijkst. Dan slaat werken voor de punten om in de intrinsieke motivatie en dan zie je dat het hart van de studenten in hun werk gaat zitten. Gelukkig heeft de school die mogelijkheid. Waar de docenten nog over na gaan denken:

  • Het kan zijn dat de leerlingen erachter komen dat er een heel ander probleem speelt dan de opdrachtgever denkt en dat er dus ook iets anders opgeleverd moet worden dan verwacht. Moeten we onze ‘klanten’ daar op voorbereiden?
  • Heeft de opdrachtgever wel ECHT een vraag of vindt hij het gewoon leuk om met de school iets te doen? Gaan we dat nog checken?
  • Wat als de opdrachtgever niet met eisen aan het resultaat komt en de leerlingen komen er ook niet op. Mag je dan als begeleidend docent eisen eisen?
  • Heeft een opdrachtgever een rol bij de begeleiding van een team leerlingen? Welke afspraken maken we concreet?
  • Hoeveel openheid mag je van een opdrachtgever verwachten? Wat doe je met geheimhouding bij een eindpresentatie?
  • Hoe brengen we de Drive-elementen van Daniel Pink in het project (Autonomy, Mastery, Purpose) op het niveau van 3Havo?
  • Op welk moment weten we of er genoeg werk voor een team aan een vraag hangt? Kan een leerling of team eerder klaar zijn?

De leukste vraag: Stel je voor dat leerlingen zo gedreven met het project aan het werk gaan, dat andere vakken verwaarloosd worden en de leerlingen zelfs blijven zitten! Maar wel expert zijn geworden in – pak um beet – social media campagnes voor winkels in toeristische gebieden?

Ben benieuwd naar reacties op de laatste vraag…

Mensen in Middelharnis, André en Daniel in het bijzonder, heel veel succes!

Posted in Projectonderwijs, Teams, samenwerking en communicatie | Leave a comment

OER, bedreiging of kans voor uitgevers?

http://extramsblog.files.wordpress.com/2011/01/oeruct_final1.jpg

De meeste mensen in het onderwijs zullen bij ‘OER’ denken aan Onderwijs en Examen Reglement. Vervang die associatie door Open Educational Resources. Op 25 november was ik op een heel interessant seminar van SURF over de vraag ‘Wat is het achterliggende business model voor een instelling voor hoger onderwijs om zijn digitale leermiddelen vrij beschikbaar te stellen?’

Een business model voor een uitgever

Ik ging erheen omdat ik eigenlijk een andere vraag heb: wat is voor een uitgever een interessant business model om zijn content deels open te stellen? Kan hij de dreiging van een markt waarin te dure studieboeken steeds minder gekocht worden, laat staan gelezen, afwenden door zijn content digitaal aan te bieden, voor import in een ELO. En zou het slim zijn om een deel ervan gratis ‘weg te geven’?

Docent wil flexibiliteit in contentgebruik

De aanleiding voor mij om hierin geïnteresseerd te raken, is mijn eigen ervaring als docent vaardigheden op een hogeschool. Ik kon geen boek vinden dat ik met heel mijn hart aan studenten wilde voorschrijven. In elke module merkte ik dat ik er maar een paar hoofdstukjes van kon gebruiken. Verder moest ik er zelf oefeningen bij bedenken, video’s bij zoeken of zelfs maken en mijn programma op maat maken voor deze groep. Studenten natuurlijk boos dat ze een duur boek moesten kopen dat ik niet helemaal gebruikte. Het boek voelde als een molensteen in mijn nek. Terwijl ik natuurlijk wel instructiemiddelen nodig had. Was er maar een database waar ik op onderwerp en op werkvorm in kon zoeken en dan zelf daarmee een pakketje samenstellen. Dat had me heerlijk geleken. Waarom bied een uitgever dit niet aan?

Met mijn verleden als uitgever, kan ik de weerstand die een uitgever hiertegen voelt wel voorspellen en ook wel begrijpen. Ik heb in 2004 al een onderzoek gedaan naar business modellen voor digitale content in opdracht van drie uitgevers. Ik geef het rapport Drie scenario’s voor een nieuw businessmodel
voor de verkoop van digitale content ten behoeve
van Elektronische Leeromgevingen
hierbij vrij voor mensen die zich afvragen of ze van de uitkomsten iets in de praktijk terugzien. Ik ben toch met een plan op een uitgever afgestapt . Mijn toehoorders vonden het interessant, maar uiteindelijk toch ‘te digitaal’, ‘docenten kunnen niet omgaan met digitale leermiddelen’ en ‘commercieel niet haalbaar’. Misschien hebben ze gelijk, want de vraagkant is er misschien ook nog niet helemaal klaar voor.

Waar is het boek?

Uitgevers zijn echt verknocht aan het boek. Er moet een stapel papier in een winkel liggen waar een prijskaartje op zit en waar de student  mee naar de kassa loopt. In het boek zit een code waarmee de student naar een site kan om een samenvatting te downloaden en wat interactieve toetsvragen. Meer is het meestal niet. Voor een theorievak als ‘Inleiding inkoopmanagement’ waar je studenten een mc-tentamen over geeft, na een serie slaapverwekkende hoorcolleges (of weblectures), is dat waarschijnlijk ook voldoende. Maar met eindtermen op het gebied van communiceren, samenwerken, onderzoeken, probleem oplossen, van die echte denk- en doe-competenties die je moet verkopen aan een klas met grote niveauverschillen, werkt dat gewoon niet. Ik wil studenten een leerarrangement op maat kunnen bieden waarmee ze deels zelfstandig kunnen oefenen waarna ze bij me komen voor een assessment. Daarvoor moet ik IN die content kunnen om te zoeken, selecteren, knippen, aanvullen en de volgorde veranderen.

Terug naar OER

‘Open’ betekent dat je deze leermiddelen kunt gebruiken zonder een eigenaar van de rechten een vergoeding te betalen. Het betekent ook – meestal – dat je de bron kunt bewerken, net als bij open source software. Maar dit hangt af van de soort licentie. De Creative Commons licenties bieden daarvoor verschillende mogelijkheden.

Een model voor een business model

Op het seminar stond het boek Business Model Generation centraal. Dit is een fantastisch boek dat je kan helpen om een model uit te werken waarin duidelijk wordt wat je erin stopt, met wie, tegen welke kosten, hoe je er waarde aan toevoegt en langs welke kanalen je opbrengsten kunt incasseren. Theo Huibers van Thaesis opende de dag met een heel inspirerende presentatie ‘Visie op de toekomst van het hoger onderwijs’ die elke uitgever moet zien. Theo benadrukte hoe belangrijk het is dat uitgevers niet blijven toekijken terwijl de instellingen zelf met OER aan de gang gaan. In het ideale business model zijn zij als partij nodig. Er zijn verschillende rollen aan hen toe te bedelen.

In De VS kan het al: geld verdienen met OER

Het was een heel volle dag. Voor mij was de belangrijkste opbrengst dat ik nu weet van het bestaan van FlatWorldKnowledge.

Lees vooral ook de tekst! Are you a hero?

Deze uitgeverij is een start-up van een stel jongens die hun werkgever Pearson Education als een soort Kodak die geen fotopapier meer kan slijten, zagen afglijden. Zij hebben een business model uitgedacht waarin een textbook online gratis te lezen is. Derivaten als een download voor een e-reader of een pdf om te printen kosten wel een klein bedrag. En belangrijker: de content is ook echt open. Ze hebben een platform ontwikkeld waarop je als docent de tekst kunt editen, er video’s tussen kunt stoppen of oefeningen, wat je maar wil. Daarmee komt het in de buurt van mijn gedroomde leermiddelencatalogus.

Op de Open Education Conference in Utah hield een van de founders een presentatie van hun model. Bekijk het verslag dat SURF heeft gemaakt en bekijk de video halverwege deze pagina. FWK verwacht  gemiddeld net zoveel omzet te gaan maken als de traditionele uitgevers omdat de dinosaurussen met dure papieren tekstboeken alleen een omzetpiek hebben bij de 1e druk en een volgende druk maar tussendoor verkoopdalen beleven doordat studenten geen nieuw boek meer kopen maar 2ehands of lenen. FWK heeft een stabiele omzet.

UITGEVERS, KIJK DIE VIDEO!

Je hebt genoeg aan de eerste helft van de presentatie. Misschien ben jij wel de held die de impasse waar hogescholen en uitgevers in zitten als het gaat om (open) digitale content, gaat doorbreken.

Overigens zoek ik nog een partij die met mij een gezond business model voor mijn plan voor een digitale collectie leermiddelen voor vaardigheden wil uitdokteren en het aandurft om erin te investeren. ik heb zo’n idee dat ik niet bij een tradiotionele uitgever moet zijn…

Verder lezen?

Als je de video van FlatWorldKnowledge hebt bekeken en meer over OER wilt weten, bekijk dan de beschrijving van het SURF-seminar. Daar vind je links naar allerlei bronnen.

Wilfred Rubens was ook op het seminar. Hij heeft er inmiddels 3 posts over geschreven, de laatste: Reflectie op businessmodellen Open Educational Resources op zijn blog. Hij noemt onderaan twee modellen die volgens hem kansrijk zijn: freemium (vergelijkbaar met FlatWorldKnowledge) of split component (theorie is bijvoorbeeld gratis, betalen voor oefeningen of begeleiding).

Er is ook een Special Interest Group op LinkedIn.

Aanvulling: docent start vergelijkbare discussie op Marketingfacts

Piet van den Boer is coördinator van de minor Online marketing van Avans Hogeschool. Hij is natuurlijk helemaal doorkneed in online en social en ergert zich aan de studieboeken voor zijn vakgebied die al verouderd zijn als ze van de drukker komen. Waarom gaan uitgevers niet online? Lees meer: Digitalisering en de toekomst van lesmateriaal op een HBO instelling

 

Posted in Leermiddelen | Leave a comment

Is een serious game een goede manier om algemene vaardigheden te leren?

Het logo van Code 4; een game dat bij de Belastingdienst is gespeeld om een meer klantgerichte en pro-actieve attitude aan te leren. Wie mee heeft gedaan, ontvangt een speldje met het logo voor op de revers. En ja, dit wordt met trots gedragen

We verwachten veel van hbo-studenten. In de Dublin-descriptoren is onder andere afgesproken dat studenten projectmatig, methodisch en reflectief kunnen handelen en hun ‘beroepsuitoefening voortdurend kunnen professionaliseren’. Aan hbo-docenten de taak om een leeromgeving in te richten die studenten in de gelegenheid stelt om deze competenties te verwerven. Bij de Hogeschool van Amsterdam heb ik daar als docent bij de opleiding Logistiek een bijdrage aan geleverd. (In mijn achterhoofd hoorde ik, terwijl ik SLB- en managementvaardighedenlessen gaf, steeds een duiveltje roepen: ‘En ben je daar zelf ook zo goed in dan???’ Maar dit terzijde…)

Hoe leid je op in die competenties?

Projectonderwijs kan een leeromgeving bieden waarin studenten hun professionele vaardigheden ontwikkelen. Je vraagt studenten dan in elk geval ‘projectmatig te werken’ en ‘teamgericht samen te werken’. Maar wat is dat dan eigenlijk? Wat is de essentie? Welke doelen streef je heel concreet na? En hoe handel je daar als docent methodisch in?

Je kunt het heel instrumenteel aanpakken en normen opleggen waaraan een probleemanalyse, Plan van Aanpak, notulen of een rapport moeten voldoen. Mijn ervaring leert dat je daar niet veel mee opschiet. Je kunt criteria opstellen voor teamgericht gedrag en studenten elkaar laten beoordelen. Dat werkt voor een klein deel van de studenten, zij die al heel ver zijn met hun eigen reflectie en professionele houding en die dus het eigenlijk al niet zo hard meer nodig hebben!

Leren begint met een ervaring en een behoefte

Leren begint pas als het schuurt. Je wilt iets bereiken en dat lukt niet, omdat je jezelf in de weg zit. Of omdat een ander niet leuk meedoet wat ongeveer hetzelfde is als jezelf in de weg zitten. Er moet ‘pijn’ zijn waar je vanaf wilt. Of in elk geval een bewustzijn dat je iets wilt, dat het niet lukt en dat je daar misschien iets aan zou kunnen doen. De bekende ‘bewust onbekwaam-fase’. Helaas zitten veel studenten op vele vlakken in de onbewust onbekwaam-fase.

Je kunt dus een enorm boeiende les aan samenwerken (b.v. de Roos van Leary) besteden maar als een student op dat vlak nog helemaal geen vragen heeft, ervaart hij het als tijdverspilling. In veel studententeams is geen pijn, in elk geval niet aan de oppervlakte. Studenten ontwikkelen strategieën om pijn te omzeilen: ‘Ik doe gewoon niets’ of ‘Ik doe gewoon alles zelf’. Als het project echt niet af dreigt te komen, wordt het team doorwezen naar de eerstelijnszorg (de SLB-docent) die mag gaan vertellen dat het toch echt anders moet! Dan is het vaak al veel te laat. Men heeft al alles en iedereen de schuld gegeven, behalve zichzelf. Veel studenten hebben immers geen adequaat beeld van zichzelf, van hun kennis, hun eigen gedrag en hun invloed op het proces. Gevolg is dat ze niet in de leerstand komen.

Een game om in de leerstand te komen?

Onlangs luisterde ik naar een presentatie van Herman Koster* in het kader van het IPMA-Activiteitenplatform over serious gaming. Ik dacht, misschien is een game wel de methode om projectmatig te leren werken. Bij Logistiek op de HvA bleken simulaties een goede werkvorm te zijn om logistieke processen te gaan snappen. De student vindt het leuk en leerzaam. Dat er wat competitie bij komt kijken verhoogt de motivatie (overigens niet bij iedereen). Ik wist heel weinig van gaming, maar Hermans lezing was buitengewoon verhelderend.  Onder andere weet ik nu dat een game iets anders is dan een simulatie-met-competitie. Een game is pakkend, en mixt realiteit en fictie (voor het echte beleven!)

Een paar weken later zat ik bij Herman aan tafel om hem mijn vraag voor te leggen: ‘Kun je studenten leren projectmatig te werken door een serious game in te zetten?’ Ik hoopte stiekem dat hij een doos van de plank zou halen en ‘Alsjeblieft’ zou zeggen. En ja, die doos is er!

Projectvaardigheid draait om attitude

Zoals bij elk project startten we bij het formuleren van de juiste vraag: ‘Wat is de essentie van projectmatig werken?’ In het antwoord zitten elementen als: er is een begin en eind, er moet een resultaat bereikt worden en onderweg moeten kwaliteit en middelen beheerst worden. Maar wanneer slaagt een project? In de ‘echte wereld’ is een project formeel geslaagd als binnen de tijd en binnen het afgesproken budget wordt opgeleverd, met de kwaliteit die gesteld is. Maar in het onderwijs is de manier waarop het doel bereikt wordt veel belangrijker dan het formele slagen. Als het samenwerkingsproces goed gaat is er wel/geen energie, doet men wel/niet een extra stapje, komen er wel/geen creatieve ideeën boven, etc.

En die attitude is onderdeel van competenties

Herman noemt een aantal competenties die voor projectmatig en teamgericht werken van belang zijn:

  • Doelhelderheid verbeteren
  • Juiste prioriteiten stellen, voor jezelf en anderen
  • Klant- en omgevingsgerichtheid (tact, je kunnen aanpassen)
  • Zichtbaar maken van de eigen bijdrage
  • Versterken van leiderschapskwaliteit en groepsgericht sturen
  • Initiatief nemen
  • Flexibel omgaan met verandering
  • Aan de voorkant voorkomen ipv aan de achterkant oplossen
  • Gedrag van anderen kunnen beoordelen en waarderen, kunnen aanspreken en corrigeren
  • Omgaan met passieve mensen en met perfectionisten
  • Kennis delen
  • Besluiten nemen
  • Verantwoordelijkheid nemen
  • Delegeren/mandateren
  • En nog wat meer

Maar hoe leer je die? Je zou dit lijstje in een beoordelingsformulier kunnen zetten en studenten kunnen vertellen: ‘Jongens, terwijl jullie bezig zijn met het project gaan jullie dit allemaal doen en wij als docenten gaan kijken of het je ook lukt, en dan vinken we de competenties af op het lijstje. En als je het in dit project nog niet allemaal kan, kijken we bij het volgende project weer of het al beter gaat, tot je van ons je diploma mag hebben.’ Zou deze strategie hen in ‘de leerstand’ brengen?

Een game verleidt tot leren

Herman vertelde over een game, Code 4, dat hij heeft ontwikkeld voor de Belastingdienst. De Belastingdienst had niet als doel dat alle medewerkers projectmatig leren werken, maar wilde wel een attitudeverandering bereiken door alle functiegroepen heen. Een beetje meer ‘Het Nieuwe Werken’ zeg maar. Uit het beeld van die attitude is een aantal competenties afgeleid. Herman heeft een serious game ontwikkeld dat deelnemers in situaties brengt die alleen op te lossen zijn als die worden ingezet. Laat dat nu precies hetzelfde lijstje zijn als voor projectmatig werken! En trouwens ook precies de ingrediënten van de Dublin-descriptoren. De game heet ‘Code 4′.

Hoe werkt Code 4?

Situatie

Het is 2018. We zitten zwaar in de economische crisis. Zorginstellingen kunnen de boel niet meer draaiend houden, geen geld meer voor voedsel, kleding, medicijnen etc. Bedrijven kunnen hun belasting niet meer betalen. Oplossing: er moet een ruilsysteem komen. Bedrijven hebben nog wel voorraden en kunnen daarmee hun belasting betalen die vervolgens zo efficiënt mogelijk over die instellingen verdeeld moet worden. De deelnemers aan het spel krijgen de opdracht om deze marktplaats te gaan besturen.

Regels

Er zijn vier teams van twaalf spelers die allemaal mogelijkheden (fiches) hebben om voorraden in te kopen. De teams verdienen punten als ze als eerste en op het juiste moment aan een vraag van een instelling kunnen voldoen. De spelers kunnen het spel elke werkdag spelen en er minstens 1 tot 1,5 uur per dag aan besteden. Ze moeten de regels zelf ontdekken. Wie wacht op instructies raakt zwaar op achterstand. Succes vereist leren van ervaringen, veel overleggen (of juist niet als men durft te delegeren), strategie bepalen (zetten we in op medicijnen of voedsel), iemand moet de leiding nemen en er komt voortdurend, ook in het weekend, nieuwe informatie binnen waarop geacteerd moet worden. Acteurs komen langs om te onderhandelen over een partij medicijnen of om de boel op te stoken met ‘geheime informatie’. En, heel belangrijk, je hebt elkaar nodig.

Een ‘puppet master’ kan de kansen en mogelijkheden van een team beïnvloeden zodat het team in situaties komt waarin de persoonlijke leerdoelen van de deelnemers geoefend kunnen worden of om het team nog een kans om te winnen te bieden.

Wat heb je nodig aan middelen

In de game:

  • Websites
  • Acteurs
  • Video (opdrachten)
  • Mobiele telefonie
  • Mail
  • Naturaprijzen
  • Wat spelers verder organiseren

Buiten de game:

  • Puppetmaster: dat is iemand die het spel kan beinvloeden (oneerbiedig; aan de poppetjes trekken)
  • Goed geïnstrueerde mensen die de begeleidingsgesprekken voeren

Teams

De teamsamenstelling is belangrijk. Bij de Belastingdienst zaten alle lagen door elkaar in een team. Iedereen begint bij 0 en kan er even goed in worden. Je hebt er namelijk geen ‘schoolkennis’ of managementervaring of wat ook voor nodig, maar wel dat lijstje competenties en ‘boerenslimheid’. De status die je aan je functie ontleent valt weg. En dan gaat het dus helemaal om wie jij bent en wat jij doet.

Spelen en praten

Het duurt drie weken en in die weken gebeurt er heel veel. De spelers gameden in principe naast hun werk en tussen 8.00 en 20.00 uur. De game is een leeromgeving en die is niet compleet als men niet reflecteert op de ervaringen. Daarom voert een coach met elke deelnemer drie gesprekken om doelen te stellen in week 1, bij te sturen in week 2 en plannen te maken voor na de game in week 3. De coaches kunnen in het systeem achter de site precies zien welke acties elke deelnemer heeft uitgevoerd en wanneer, zodat die gesprekken heel concreet kunnen zijn.

Wat je niet verwacht

In een game, hoe ‘scripted’ het ook is, gebeuren altijd onverwachte dingen. Gezien de crisis wordt een deel van het salaris in natura uitbetaalt. Dat kan van alles zijn: brood, pakken koek, bussen deo… Het viel op deze cadeaus soms niet verdeeld werden, maar in de kast bleven staan. Er waren b.v. 8 flessen cola, maar verdeel je die over 12 spelers? De instructie ontbrak, dus bleven de flessen veilig in de kast. In de week erop probeerde de puppetmaster het met pakken melk. Deze stonden na een week met bolle buikjes op de plank. Bij dit team waren de competenties flexibiliteit en initiatief nog niet voldragen.

Wat levert het op?

Zo’n spel is leuk, maar een risico van gaming is dat de transfer ontbreekt. Mensen gaan niet vanzelf hun gamegedrag in de werk- of leerwereld inzetten. Herman heeft bij de Belastingdienst een effectmeting gedaan en er is wel effect! Tachtig procent van de deelnemers leert daadwerkelijk wat op het gebied van zijn/haar ontwikkelpunten. Bij dertig procent van de deelnemers is zelfs sprake van second loop learning (dat is niet alleen de dingen beter doen, maar ook betere dingen doen)! Men spreekt elkaar aan, ook door de lagen heen, er zijn talenten ontdekt, mensen hebben een andere baan gezocht en in de dagelijkse praktijk wordt er inderdaad meer initiatief genomen. Het is natuurlijk altijd de vraag hoe lang het blijft hangen. Dat is ook een zaak voor de organisatie die de opbrengst moet gaan beheren en liefst ook vergroten.

Kunnen we nu iets met zo’n Code 4-game in het hbo-onderwijs?

Ik geloof er wel in. Vooral als je studenten en docenten samen in een team stopt. Aan het begin van het stuk bekende ik niet voor niets dat ik in mijn docentenrol vaak dacht: ‘Hoe scoor ik zelf eigenlijk op dit feedbacklijstje?’ Laat mij ook maar eens zo’n game doen. Ik ben heel benieuwd wat voor Isabelle zich dan laat zien.

Om als docent projectonderwijs te kunnen begeleiden en trouwens om uberhaupt goed in een opleidingsteam te functioneren, heb je al die competenties net zo hard nodig. Bovendien slaagt projectonderwijs pas echt als docent en student hun vertrouwde statuspatroon van ‘Ik ben docent en ik weet hoe het moet en ik leid’ of ‘Ik ben student, vertel mij hoe het moet en dan volg ik en haal ik mijn punten’ loslaten. Zo’n game kan het vertrouwde patroon op zijn kop zetten en dat is heilzaam.

Voordelen

Waarom levert het meer leereffect op dan een heleboel vaardigheidstrainingen, SLB-gesprekken en sessies met een projectbegeleider? Een game is behoorlijk strak ontworpen. Je ziet weliswaar verrassende bij-effecten, maar on the whole kun je behoorlijk goed voorspellen welk gedrag je gaat oproepen. Het is een snelkookpan, binnen drie weken kun je een prima ontwikkeldiagnose stellen waar de student en de docent niet makkelijk onderuit kunnen, want het gedrag was gewoon voor iedereen zichtbaar. In de tweede week wordt er gestuurd op het opdoen van inzichten, en in de tweede en derde week op het experimenteren met nieuwe gedragsstijlen. Dat kan gemakkelijk, een game is immers veilig, ‘het is maar een spelletje …’. Steek in je zak wat je kennelijk al heel goed kan en besluit samen met een coach waaraan je nog gaat werken. En dat kan dan heel gericht in de projecten die de student nog gaat doen, ondersteund door een mix van leermiddelen en -situaties op maat.

Plannen en inbedden

Het ideale moment om zo’n game in te zetten lijkt mij zo na een half jaar. Wie echt een verkeerde keuze heeft gemaakt, heeft de opleiding dan verlaten. Studenten hebben al wat projectervaring opgedaan, zijn misschien al een beetje bewust onbekwaam, hebben een bepaald beeld van zichzelf, van medestudenten en van docenten. Dat is allemaal inzet van de game. Studenten die nog niets van zichzelf weten, denk aan de 17-jarige vers van de Havo, doen een concrete ervaring op waarmee een leerproces kan starten. Na de game kunnen student en docent, onder begeleiding, een ontwikkelplan trekken zonder de vaagheid en letterlijk ‘zinloosheid’ van alle POP’s en PAP’s waar studenten nu vaak in gedwongen worden.**

Is er ook een nadeel?

Ja, het vraagt om een investering, vooral de eerste ‘run’. Dat heeft te maken met de arbeidsintensieve professionele begeleiding. Als enkele docenten getraind worden om de begeleidingsgesprekken te kunnen voeren, hoeft het echter niet duur te zijn. Het vergt ook enige organisatie omdat een game buiten het normale systeem van roostering valt en er in korte tijd veel personeel ingezet moet worden. Maar ik vermoed dat die investering goed is terug te verdienen door anderen dingen niet meer te doen. Niet elk SLB-gesprek is zinvol…

Ook vraagt het om een andere visie op leren en opleiden waar je wel even goed in moet duiken. Die visie ontstaat niet door weer een dagje in een congrescentrum te gaan zitten, maar misschien wel door met het hele team zo’n game te doen…

*Herman Koster is vice-president bij Capgemini en heeft daarnaast zijn bureau Demovides! waarin hij onder andere serious games ontwerpt en produceert.

**Ik liet dit artikel lezen aan Marion van Lunenburg, docent bij de opleiding Communicatie van de Hogeschool van Amsterdam. Zij gaf als commentaar dat ze tijdens haar lessen veel refereert aan de buitenschoolse omgeving van studenten. Ze hebben misschien nog niet zoveel project-, of praktijkervaring maar hebben wel een hobby die ze samen met anderen beleven, zitten in het bestuur van een sportclub, hebben een bijbaan (b.v. leider van de vulpoeg bij de AH) waarin ze soms ook al behoorlijk veel competenties moeten laten zien. Als docent kun je die ervaringen heel goed gebruiken om een gevoel van bewust-bekwaam of bewust-onbekwaam op te roepen.

Posted in Projectonderwijs, Teams, samenwerking en communicatie | Leave a comment

Freelancers gaan ook soepel samenwerken met Belbin & Leary

Op 12 november organiseren Women on the Web in Rotterdam hun jaarlijkse seminar voor vrouwen in de digitale wereld. Collega Tineke van Kooten en ik begeleiden daar een workshop waarin we de teamrollen van Belbin en de Roos van Leary inzetten om de samenwerking tussen freelancers en hun opdrachtgevers waar nodig te versoepelen.

Om erin te komen hebben we een case geschreven. Stel je voor dat je Anneke bent (de freelancer) of Ton (de opdrachtgever). Wat zou je doen? Leuk als je reageert met een comment.

Anneke wilde zo graag naar die reünie

‘Nee, ik moet het echt morgen hebben! Kun je anders vanavond niet doorwerken? Ja, sorry hoor, maar dit heeft echt bloedspoed!’

Anneke is tekstschrijver, gespecialiseerd in webteksten. Na het telefoontje van Ton zet ze zichzelf met een zucht achter de computer. Ze belt haar afspraken voor die avond af en werkt to diep in de nacht door – omdat het Echt Morgen Af moet zijn… Tegen half 4 drukt ze eindelijk op de verzendknop en rolt doodmoe haar bed in.

Als ze na een paar dagen nog niets heeft gehoord en Ton belt om te vragen hoe haar tekst is ontvangen is dit de reactie: ‘Eh? Wat bedoel je precies? Ooooh ja, dat stuk, dat stuk, ja, ik heb het wel gezien, maar ik ben er nog niet aan toegekomen om het te lezen. Kan ik je er volgende week over bellen?’

Woedend hangt ze op. Dit kan ze niet over haar kant laten gaan. Klant of niet, niemand heeft het recht zo respectloos met haar tijd om te gaan. Maar ze wil Ton beslist niet kwijt als klant… Hoe gaat ze dit aanpakken?

Ze gaat er eens voor zitten om dit lastige gesprek voor te bereiden.

Anneke werkt al een tijdje voor Ton, dus ze kent hem ondertussen wel zo’n beetje. Ton is iemand die graag dingen voor elkaar wil krijgen, erg resultaatgericht, een beetje ongeduldig en bazig, en gewend om zijn zin te krijgen. Maar hij is ook snel afgeleid als er iets voorbij komt dat nóg belangrijker lijkt dan dat waar hij mee bezig was. Prioriteiten stellen is niet zijn sterkste kant. (Vormer, Brononderzoeker?)

Ze wil hem duidelijk maken dat ze, omdat hij zoveel haast had met deze tekst, haar agenda heeft omgegooid en een paar pijnlijke persoonlijke offers heeft moeten brengen. Dat ze erg teleurgesteld was om te moeten horen dat het achteraf helemaal niet nodig was geweest om  zich in bochten te wringen. Ze neemt zich voor om tegen Ton te zeggen dat ze een volgende keer met liefde weer alles aan de kant gooit om een spoedklus voor hem af te maken, maar dat ze daar wel een aangepast tarief voor gaat rekenen. gewoon zakelijk aanpakken! En tot slot wil ze hem vragen om een volgende keer beter na te denken voor hij iets een haastklus noemt…

Ze belt Ton.

‘Ik wilde je nog even spreken over die tekst die ik voor je site heb geschreven en die je binnen een dag wilde hebben…’

‘Ja, wat is daarmee, daar zou ik je toch volgende week over bellen?’

‘Nou, het zit me toch niet lekker. Ik heb alles opzij gegooid om die tekst zo snel te kunnen leveren en nu blijkt dat het ook nog wel even kon wachten. Dan had ik gewoon naar die reünie van mijn oude school gekund waar ik me al maanden op verheugde.’

’O, ja, er kwam iets tussen wat nog meer haast had. Maar wel heel fijn dat die tekst er nu in elk geval is. Ja meid, dat is nu eenmaal het leven van een ZZP-er. Ik gooi ook wel eens alles opzij voor mijn baas en dan blijkt het toch niet zo belangrijk. That’s life!’

‘Maar, ik vond dit echt heel vervelend! En het bleek achteraf helemaal niet nodig om er zoveel haast achter te zetten. Je hebt nog niet eens inhoudelijk gereageerd!’

‘Volgende week bel ik je, zei ik toch?! Zeg, ik heb weinig tijd, dus als dit alles was ga ik nu even verder met mijn werk.’

Anneke baalt! Niets bereikt van wat ze wilde en Ton lijkt alleen maar geïrriteerd. En Anneke zelf is alleen nog maar bozer dan ze al was!

Wat is er misgegaan? Daar zijn wel een paar oorzaken voor te verzinnen. Zo heeft Anneke:

  • geen gebruik gemaakt van de kennis die ze heeft over Ton;
  • om begrip gevraagd, maar zelf geen begrip getoond voor Tons belang waardoor hij niet bereid is met haar mee te denken;
  • niet aanvaard dat een opdrachtgever ‘Boven’ mag zitten;
  • zich beklaagd over de gang van zaken, maar niet duidelijk gemaakt wat ze anders wil (spoedtarief!)

Casus uitproberen met Belbin en Leary

Herkenbaar? Helemaal niet? Een beetje? Nieuwsgierig hoe het óók kan gaan?

In de workshop ‘Soepel samenwerken met Belbin en Leary’ op het WoW-congres van 12 november  gaan we aan de slag met de casus van Anneke of met jouw eigen ‘Tonnen’. We verkennen het teamrollen-model van Belbin en de Roos van Leary en geven van daaruit concrete aanknopingspunten om in een moeilijk gesprek:

  • in te spelen op wat jouw gesprekspartner van belang vindt
  • terwijl je jouw punten onder de aandacht brengt
  • zodat je je doel bereikt
  • op een manier die voor beide partijen prettig is.

Op de site van WoW kun je je opgeven voor deze workshop. Alleen voor dames…

Hopelijk tot 12 november!

Mede namens: Tineke van Kooten, Het Leerbedrijf

 

 

 

 

 

 

Posted in Teams, samenwerking en communicatie | 2 Comments

Certainty Based Marking in Moodle

CBM increases the learning outcome of closed quiz questions in formative assessment

How can you get more out of a simple quiz? Studie Centrum Financiele Branche offers Permanent Education Courses for financial professionals. Their course concept consists of preparation in an online environment and a face-to-face meeting to discuss the learning material. Students have the opportunity to test their knowledge of the course syllabi by taking three online quizzes per subject. After that they send in their solutions to a case.

My client was keen on ways to increase the learning outcome of these quizzes. Serendipity: his father-in-law was asking him : ‘ Why don’t you require your students to state  how sure they are of the answer they are giving, so you you know that they are not simply guessing the answer ?’ I had just been to the UK MoodleMoot where Tim Hunt (Open University) presented the new Quiz module in Moodle 2.1. An interesting new feature of the quiz module is called Certainty Based Marking.“That’s what we need”, my client and I thought, so I started to experiment with it. But first, what is it?

What is CBM?

Certainty Based Marking (CBM) is an assessment system in which a student answers multiple choice, true false or short answer questions. After the student selects an answer he has to decide how sure he is of the correctness of his answer. He has to assert the probability of being correct: 1 = Not very (close to guessing), 2 = Reasonably sure or 3 = Absolutely sure*. In this example you see what it looks like in a Moodle quiz in the SCFB-course.

Klik om te vergroten

The grade of certainty that has been chosen has consequences for the score on the question, as you see in this table.

Cold shower

Trying this out, I found that the consequences for your total score at the end of the test can be pretty devastating. Say you make a test of 10 questions and each question has a value of 3, you can score 30 marks if you have everything right. If you choose certainty 3 two times and your answer is incorrect, you lose 12 marks. If you also score right two times while you haven chosen certainty = 1 you lose another 4. It gets pretty hard to pass the test, if you are not sure of what you do and what you don’t know.

By testing it we learned that the teachers of SCFB had some difficulty accepting their low total scores for situations in which they answered more than half of the questions correct. This is one of the reasons that students need practice to get used to CBM: a student has to get the opportunity to really learn to work with the method and it is not something you apply in an isolated test.

The guru and the programmer

While researching the CBM phenomenon I found the guru Tony Gardner-Medwin, Emeritus Professor, Department of Physiology (NPP), UCL, London. He has made the system or protocol (LAPT) available at UCL,  including availability for anyone interested in using it, and has published about it (see bottom article). He has also written code that can be imported into Moodle, for versions 1.9-2.04. We first used Tony’s LAPT-code, but as soon as Tim Hunt, the Quiz module programmer, incorporated CBM in the standard Moodle quiz features for 2.1 and higher, we switched to using this standard CBM-option. Hunt based his code partly on Tony’s work but not completely.

This might look as a detail for testing nerds, but the difference is pretty important. Tony’s code produces general feedback for the test with the percentage of questions you answered right AND your CBM score. Tims code only keeps the CBM score and pushes this to Moodles gradebook. For the maximum impact on learning outcome a student should be able to see his end score and compare this to his CBM-score, as in LAPT.

A talk with Tony

Links Silvester, rechts Tony

CBM gave lots of food for thought on testing and scoring. Luckily Tony Gardner-Medwin visited the Netherlands in September. During my research I came in contact with Silvester Draaijer (Onderwijscentrum VU). Silvester also wanted to meet Tony, so we had an interview with him.

We talked about the philosophy behind and the advantages of CBM compared to plain old mc or T/F-questions.

Philosophy behind and advantages of CBM

You could say CBM repairs a flaw of standard testing with closed questions. The results on a standard test do not reveal (in Tony’s view) what the student really knows. The student may give a correct answer, but was it by guessing or was it on the basis of solid knowledge? A student who is a very lucky guesser can pass a test while a student who omits uncertain answers, can fail it. CBM rewards students who know which answers they do know and who acknowledge when they are uncertain. It ‘punishes’ students who are never confident, or who claim confidence for incorrect answers.

For students a test with CBM is much more informative and promotes deeper learning. The ‘How sure are you’ question prompts him to think more deeply about the answer, or, if the test is not time limited, to look up the correct answer. After he submits the answers, he can see if his certainty estimation was accurate. At the end of the test he knows which parts of the material he has to study more in depth and which parts are completely between his ears. Hopefully he also sees feedback with an explanation of the correct answer. In this way the learning yield is much higher.

In short, the students focus on:

  • getting as many answers right as possible, and
  • accurately judging certainty to achieve a high CBM-score

 You need to know when you’re right!

Tony explained how CBM plays an important role in the development of a professional attitude. He taught physiology in medical school. It’s pretty crucial that medical staff can make a difference between ‘I am sure’ and ‘I have doubts’. CBM can teach them to act on their doubts (ask a colleague, grab a textbook) in a very simple way: if I am not sure and also right I loose points! This is also what appealed to my client. Financial advisors give maybe 10 advices a day. Nine times they are right but the tenth advice may lead a client to bankruptcy. In the real world advisors have to be absolutely sure 10 times out of 10. The CBM test is a simulation of their professional environment.

I believe in CBM

Just like Tony, I think that only ‘being sure’ is true knowledge. I am also in favour of it because it stimulates students to think just a little bit deeper. Only this extra cognitive activity should already heighten the learning effect of taking a test.

But, is correction of guessing necessary?

Now it is time for some expert criticism. Silvester has some more knowledge of educational measurement. For him, using CBM is not so obvious as it is for me. He says:

‘Of course,in a test with closed questions, a blind guessing score is inevitable. The result of a test as a whole however, is based on a series of questions. The more questions in a test, the more reliable the outcome of a test. The chance of a student passing a test (with a reasonable number of test items) by only guessing, is negligible. And by setting cut-scores that take this guessing score into account, a reasonable estimate concerning the achievement of a student can be made.’

So, Silvester counters the argument that CBM is necessary to correct for guessing. Regular tests do a reasonable good job already.

How does CBM affect your confidence?

Silvester does see benefits in CBM: ‘What should be emphasized is the value of CBM in formative assessments. CBM gives students who over- or underestimate themselves a better insight in their own perception of their knowledge and skill. And this does work on the level of just one question or subject, or possibly at the level of an entire test if this test addresses only one subject.’ (So the CBM scores will improve in the course of taking multiple tests with CBM.)

In general people think that under- or overestimating ones knowledge is an unchangeable personality trait. It would be interesting if Tony had done research on the impact of CBM on other domains. Does it affect their level of confidence also on other material outside this particular test? I don’t think so.’

Well, Tony told us he had not researched this… Maybe someone else will pick this up?

Why doesn’t everybody use it?

We also asked Tony how widespread CBM is. His own software (LAPT) is mainly used in London, at UCL and Imperial College. Even there it is currently only used for formative assessment. Tony is disappointed in the slow uptake despite much effort at dissemination. It might just be fear of the non-standard testing procedures. It might just be fear of the non-standard testing procedures.

In Holland my client SCFB is, to my knowledge, a pioneer in applying CBM. Over 25 years ago there has been some research in the Netherlands on something similar to CBM (multiple evaluation) but the psychometric experts and instructional designers who published about it are either deceased or retired. A whole new generation must be infected with the CBM-virus!

Now it is included in the standard quiz module in Moodle 2.1, albeit as yet in a limited way, other Moodlers will probably try it. And if other big testing/assessment software companies like Question Mark Perception adopt it, it might get a new life. I’ll do my best to advocate CBM at the next Ned Moove seminar at the end of November.

Want to know more?

All Tony’s work on CBM is to be found on the LAPT website of UCL.We thank him for his cooperation on this article.

*SCFB has chosen to translate ‘very sure’ for certainty = 3 into ‘absoluut zeker’. This is not as it should be. Certainty = 3 should stand for: “I am 80 to 100 % sure I have given the correct answer. In the CBM-philosophy you don’t have to be absolutely sure. In the professional world a financial advisor must be totally sure. This is my clients motive for using this terminology.

 

Posted in Moodle, Opleidingsontwerp | 6 Comments

Projectmanagement in het hbo: vragen en antwoorden

Projectmanagement is geen dagelijkse kost in het hbo; noch voor docenten, noch voor studenten. Hoe je van hbo-studenten goede projectteamleden en wellicht ook projectmanagers maakt, is nog geen uitgemaakte zaak. Des te beter, want anders hadden de vijftig docenten die op 15 juni op de Onderwijsdag Projectmanagement waren, niets te bespreken gehad.

Goede tips

Het verslag van deze middag is te lezen op de PMWiki van IPMA. Deze club van projectmanagementaficionado’s heeft een interessegroep Hoger Onderwijs die zich bezighoudt met de missie:

Méér onderwijs in Projectmanagement en méér Projectmanagement in het onderwijs!

Een andere naam voor het beest

Op deze middag konden vragen gesteld worden over de didactiek van projectmanagement en hoe docenten deze kunnen vervlechten met het werk van studenten aan projecten. Er kwamen veel goede tips uit de groepen. Soms heel simpel: geef het beest een andere naam. Er blijkt namelijk her en der wat weerzin tegen de term ‘projectmanagement’ te bestaan. Is dat niet veel te zwaar en niet in verhouding met wat we van studenten vragen?

Het voorstel om het ‘een gestructureerde aanpak van resultaatgerichte opdrachten’ te noemen, lijkt me uitstekend. En nog simpeler: eerst denken dan doen, dan weer even denken en dan weer doen…

Een didactiek om projectmatig te leren werken

Het belangrijkste wat ik meeneem uit die dag is dat je als docententeam een eenduidig beeld moet hebben van:

  • de competenties die de studenten moeten verwerven op het gebied van projectmatig werken
  • hoe je een opbouw in niveau wilt verwerken in het curriculum (hoe waarborg je dat de student zijn afstudeerproject kan managen?)
  • de beoordeling van die competenties binnen de projecten (standaardchecklists/formats/handboeken) in aansluiting op dat curriculum
  • goede opdrachten die projectmatig werken noodzakelijk maken

Er is ook nood aan goede werkvormen om projectvaardigheden te leren. Misschien is een serious game een goede werkvorm?

Bij sommige opleidingen wordt Projectmanagement als apart vak aangeboden. De transferwaarde hiervan lijkt me gering, want wie heeft ooit leren zwemmen uit een boekje?

Al doende leren dus, waarbij de docenten ook eerst goed nagedacht hebben voor ze gaan doen. Laten we onszelf daarom de opdracht geven:

Ontwikkel een curriculum waarmee studenten leren een resultaatgerichte opdracht gestructureerd aan te pakken.

Dat kunnen we dan zelf ook als een project gaan aanpakken. Presentatie van het resultaat op de 3e Onderwijsdag Projectmanagement in 2012?

Posted in Projectonderwijs | 2 Comments

Belbin, Leary en de facilitators

Facilitator, uitgesproken op z’n Engels: het woord dingt wat mij betreft mee naar de bokaal voor het lelijkste woord van 2011. Er zijn dan ook niet veel mensen die het op hun visitekaartje hebben staan. Maar er zijn wel verschrikkelijk veel mensen die op zijn minst een deel van hun werktijd facilitator zijn. Teamleiders, leerkrachten, trainers, coaches, veranderaars, coördinatoren: al die mensen werken op een of andere manier met groepen en proberen in goede harmonie een doel te bereiken. De groep doet het werk – als het goed is – en de facilitator, tja, die  faciliteert. Maakt mogelijk, helpt tot stand komen, stuurt een beetje bij, brengt de gemoederen tot bedaren of juist in beweging. Mooi en belangrijk werk dus: jammer dat er zo’n lelijk woord voor bedacht is.

Afgelopen vrijdag was het jaarcongres van de IAF Benelux, de International Association of Facilitators. Een congrescentrum vol facilitators (die dus eigenlijk teamleiders, leerkrachten, trainers, coaches, veranderaars, coördinatoren… enzovoort zijn) die met elkaar op verkenningstocht gingen naar nieuwe effectieve manieren om groepsprocessen te begeleiden. Er was een rijk aanbod, van Aards tot Zweverig, te bewonderen op de congressite.

Tineke van Kooten en ik mochten er de workshop Faciliteren met Belbin en Leary verzorgen. Heel spannend om voor deze doelgroep te werken. Iedereen weet al behoorlijk veel van het werken met groepen, de kwaliteit van je workshop ligt echt onder een vergrootglas…

Dank aan de moedige spelers!

Ontwerp: Tom Sprunk

Onze opzet was ‘inductief’. Meteen bij de deur arresteerden we deelnemers voor een rol in ons rollenspel en we zetten hen aan de vergadertafel. De belangrijkste rol was voor de extern ingehuurde facilitator. Hij mocht dit managementteam begeleiden naar een beslissing over de vraag: ‘Gaan wij met flexplekken werken?’ Deze vraag was ‘de olifant’ waar ieder zo het zijne van dacht. De observanten zochten de teamrol van de spelers. Dat lukte heel goed.

In de tweede gespreksronde ging het – gelukkig – knetteren tussen de deelnemers zodat wij de Roos van Leary erbij konden pakken. De observanten en de spelers zagen dat de Zorgdrager in de aanvallende positie bleef hangen. Voorzitter, wat doe je daarmee?

We verklappen niet hoe het afliep, maar de combi Belbin en Leary bood een bevredigende oplossing.

Deelnemers willen ermee verder

We hadden ons dus geen zorgen hoeven maken: het was een groot succes. Het spel ging goed, de observanten waren scherp, en alle deelnemers gaven achteraf aan dat ze hier echt iets aan hadden en er graag mee aan de gang wilden gaan. We kwamen met (nog) meer energie de zaal uit dan we erin gingen en we hebben nu al heel veel zin in Belbin en Leary voor Women on the Web op 12 november aanstaande.

Wil je meer weten over de workshop op 12 november of over de combinatie Belbin en Leary? We geven ook graag een incompany workshop waarbij je team zijn eigen olifant mag meebrengen.

Posted in Teams, samenwerking en communicatie | Leave a comment

Zo Belbinnen wij met Leary

Op 23 september geven Tineke van Kooten en ik een workshop over ‘Belbinnen met Leary’ voor facilitators. Ik maakte al eerder reclame voor dit optreden op de conferentie Faciliteren als 2e beroep. Afgelopen donderdag kwam Marc van Seters met ons een promofilmpje maken. Bedenken, oefenen, opnemen, allemaal één groot feest, mede dankzij Marc die ons met enthousiaste professionaliteit de ene take na de andere liet spelen.

Als deelnemers dit zien, gaan ze misschien al om 8 uur voor de deur liggen, moeten we verhuizen naar de grootste zaal, deelnemers naar buiten duwen…

Nu nog even waarmaken.

Posted in Teams, samenwerking en communicatie | Leave a comment

Webdesign leren op afstand

In april was ik op de MoodleMoot in Londen. Voelde me een beetje verweesd tussen alle Engelsen. Gelukkig ontmoette ik een ander ‘Dutch speaking person’, namelijk Koen Nys die als docent en Moodlebeheerder werkt bij het Centrum voor Volwassenenonderwijs in Heusden-Zolder.

Koen stuurde mij een reportage die over zijn club gemaakt is door TV Limburg. Het is grappig om te zien hoe de docent met alleen zijn Linux-pinguïn als gezelschap een webclass geeft vanuit Heusden aan zijn studenten webdesign. De student zit in Genk in zijn slaapkamer achter zijn burootje. ‘Alberto, jij hebt je handje opgestoken. Zeg het eens…’

Conclusie van de reportage: het is voor iedereen wennen en niet altijd koek en ei, want:

  • Technische problemen zijn nooit uit te sluiten
  • Sociaal contact vervalt voor een stuk
  • Docent verliest een deel van zijn controle

Jammer dat de voordelen niet wat meer belicht worden in deze sympathieke repo. Je hoort alleen een docent zeggen: ‘We kunnen niet anders. De studenten verwachten het…’

Posted in Moodle | 1 Comment

Blended learning succes bij de Belastingdienst

Altijd nieuwsgierig naar casussen over opleidingsontwerp vond ik op de site van CINOP het artikel Blended learning bij de Belastingdienst. Flexibel competentiegericht leren met juiste mix van leermiddelen. (De link om dit artikel te downloaden vind je onderaan deze webpagina van CINOP.) Ik word hier heel warm van. Zeker als ik de ervaring van een docent lees:

Docent:’Ik heb nog nooit meegemaakt dat ik niet zo aan de medewerkers hoef te trekken tijdens de contactdag; dat scheelt een hoop energie.’

Nou, dat lijkt me ook heerlijk! De medewerkers doen in de ELO de leertaken die ze nodig hebben voor hun werk, op hun eigen tijd en in eigen tempo, wisselen kennis uit bij het maken van integrale praktijkopdrachten en komen goed voorbereid naar de bijeenkomst.

Wat is het geheim van het succes? Dat zal hem zitten in de onderwijskundige expertise om die juiste mix van middelen te ontwerpen en de overtuigingskracht van de CINOP-mensen die de Belastingdienst hierin mee gekregen hebben.

Ik raad iedereen aan die met vragen zit rond de inzet van blended learning en opleidingsontwerp om dit artikel te lezen en het model te volgen. Daarbij natuurlijk vooral de leerervaringen meenemen:

  • deelnemers moeten begeleid worden naar zelfstandig leren en leren in een online omgeving
  • docenten moeten leren hoe ze die mix van leermiddelen daarbij inzetten en hoe ze deelnemers online begeleiden

Houd rekening met een aanloopperiode, maar dan word je beloond met voorbereide cursisten in je zaal die uitgroeien tot invorderaars die hun nieuwe kennis en vaardigheden op hun werkplek toepassen.

Posted in Opleidingsontwerp | 1 Comment